Ja, tenzij: een pleidooi voor een toegankelijk Nederlands landschap

Ja, tenzij: een pleidooi voor een toegankelijk Nederlands landschap

Er liep ooit een pad tussen Budel en Weert. Twaalf kilometer lang. Weerter protestanten liepen het elke zondag over de grens, om een dienst bij te wonen. Ze noemden het de Geuzendijk. Op oude kaarten bestaat het nog; op de grond is alleen de naam nog zichtbaar.

De geuzendijk tussen Budel en Weert

Dat is geen uitzondering, het is de regel. Driekwart van de Nederlandse landbouwgrond heeft een of meer ruilverkavelingen ondergaan. In de decennia na de oorlog verdwenen duizenden kilometers houtwal, werden sloten gedempt en raakten kerkenpaden onklaar. Het waren de paden die generaties lang de verbinding waren tussen buurtschap en kerk, tussen boer en markt, tussen de levenden en de doden die ze gingen begraven. Het was efficiënt. Het was ook het stilzwijgend opheffen van iets wat nooit van iemand was, en juist daarom van iedereen.

Een omgekeerd uitgangspunt

Wat er in die jaren gebeurde was meer dan een herverdeling van grond. Het was een omkering van het uitgangspunt. In Nederland is uitsluiting de norm geworden en toegang de uitzondering die je moet bevechten: een gunst, te onderhandelen met wie toevallig de kavel bezit. Bijna overal om ons heen is het andersom. In Schotland, Scandinavië, de Baltische staten en Duitsland is toegang de norm en is het de uitsluiting die uitgelegd moet worden. Daar mag je lopen, tenzij er een goede reden is dat het niet kan. Hier mag je niet, tenzij iemand het je toestaat.

Dit is een pleidooi voor die omkering. Van nee, want naar ja, tenzij.

Eigen terrein. Alleen bestemmingsverkeer. Nee, want.

Een kans op verbondenheid

Deze omkering is meer dan het rechtzetten van een oude fout. Het is een kans. Veel mensen kennen het landschap waarin ze wonen nauwelijks van binnenuit. Ze zien het door een autoraam of vanaf een fietspad, maar zetten er zelden een voet in. Een land waar je mag lopen, is een land dat mensen leren kennen, en wat je kent ga je beschermen. Toegang is daarmee niet alleen een recht dat we terugvragen; het is een manier om de band tussen mensen en grond te herstellen die samen met de paden verloren ging.

Eigendom is niet doorgang

Het gaat niet om eigendom, het gaat om doorgang. Niemand vraagt om de grond zelf, om een recht op andermans akker of erf. Wat hier bepleit wordt is veel ouder en bescheidener: het recht een pad te lopen dat er vaak al was voordat de kavel bestond, over grond die je niet verstoort en niets beschadigt. Eigendom en toegang zijn twee verschillende dingen. Dit gaat alleen over het tweede.

En toegang is geen vrij spel. Ze loopt twee kanten op. Wie loopt, gedraagt zich ernaar: het hek weer dicht, de hond aan de lijn bij vee, geen afval, gewassen en rust ontzien. Het buitengebied is een werkomgeving, geen pretpark; wie er komt draagt een eigen zorgplicht. Daar staat tegenover dat wie loopt de aansprakelijkheid van de boer niet vergroot, en dat wie grond beheert het belang erkent van wie er doorheen beweegt.

En juist daarom moet toegang niet vrijblijvend zijn. Een landschap is geen consumptiegoed dat je achteloos doorkruist. Wie er loopt krijgt iets, en daar mag iets tegenover staan: aandacht, zorg, fatsoen. Die wederkerigheid is geen last die we erbij nemen, ze is precies wat de verbondenheid echt maakt. Toegang zonder verwachtingen kweekt geen rentmeesters, alleen passanten.

De tenzij is bovendien echt. Gewassen, erven, de directe omgeving van woningen, broedende natuur, stilte- en rustgebieden: dat zijn de gemotiveerde uitzonderingen, en ze zijn het waard. Openstelling kan ophouden bij een akkerrand, of buiten het broedseizoen blijven. Juist omdat de uitzondering serieus is, is de hoofdregel houdbaar. Een ja die nergens nee durft te zeggen, houdt geen stand.

Begin bij wat al van ons is

Waar zou zo'n omkering beginnen? Bij de grond die al van ons samen is. Nederland heeft duizenden kilometers begaanbare grond in publiek bezit liggen: dijken, kaden, onderhoudspaden, jaagpaden. Veel daarvan wordt al gedoogd; sommige beheerders schrijven zelfs al op dat hun paden in beginsel open zijn, tenzij er zwaarwegende redenen tegen zijn. Het principe staat er dus al. Wat ontbreekt is de stap van passief gedogen naar actief openstellen: de paden op de kaart, zodat mensen wéten dat ze er mogen lopen, met een heldere en beperkte lijst van uitzonderingen.

Pas daarna, en geloofwaardiger juist omdat de publieke grond het heeft voorgedaan, komt het grotere gesprek in beeld: het herstellen van de oude paden die nog traceerbaar zijn, betaald uit de gemeenschap in plaats van afgewenteld op wie toevallig de grond bezit, en op termijn een wettelijk recht van doorgang op onbebouwde grond, zoals Schotland, Noorwegen en Duitsland dat kennen. Dat gesprek is in Nederland nauwelijks gevoerd. Het zou moeten beginnen.

Het is al geprobeerd

Want het kan. In Utrecht en Gelderland herstellen de Klompenpaden sinds 2002 precies die verdwenen kerken- en veldpaden, dwars over boerenland, in overleg met de eigenaren en met een vergoeding voor wie meedoet. Het zijn er inmiddels rond de 170, onderhouden door vrijwilligers, gedragen door de streek. Dat bewijst twee dingen tegelijk. Dat openstelling werkt én gewenst is. En dat de vrijwillige route alleen niet genoeg is: ze hangt aan goede wil, ze is een lappendeken, en wat als gunst wordt gegeven kan zo weer worden ingetrokken. Daarom de stap van gunst naar recht. Daarom: ja, tenzij.

Het kan morgen beginnen

Verbondenheid met grond leer je niet uit een verordening. Je leert haar door er te zijn: door een kind door het landschap te laten lopen in plaats van langs de weg, door het gesprek aan te gaan met de boer aan het einde van de weg, door één oud pad terug op de kaart te zetten. Dat hoeft niet op een wet te wachten. Het kan morgen beginnen, met één pad, en met één vraag aan wie ergens een bord plaatst dat de doorgang sluit: weet u wat daar ooit overheen liep?