TWIL #63: Van Verschoven Waarneming tot Oude Dobbelstenen
Elke zondag deel ik mijn TWIL (This Week I Learned). Hierin schrijf ik een paar dingen op die me die week zijn opgevallen. Een detail in het landschap. Een fragment uit de geschiedenis. Iets dat me even deed stilstaan.
Wat blijft als waarneming verschuift
Deze week kwam ik er pas achter dat Claude Monet langzaam blind werd. Van Ludwig van Beethoven wist ik bijvoorbeeld wel dat hij doof was. Dat verhaal is zo vaak verteld dat het bijna voelt als vaste kennis.
Maar Monet zette iets in beweging. Dus ik ben gaan kijken. Wat gebeurt er eigenlijk als makers hun zintuigen verliezen? Niet het afgeronde verhaal. Gewoon wat ik tegenkwam.
1. Beethoven verliest zijn gehoor

Beethoven raakt niet in één keer doof. Vanaf zijn late twintig begint zijn gehoor achteruit te gaan. Eerst hoge tonen, daarna bredere frequenties. Rond zijn veertig is hij vrijwel volledig doof.
Praktisch betekent dat:
- hij kan uitvoeringen niet meer goed volgen of corrigeren
- gesprekken worden lastig, waardoor hij zich sociaal terugtrekt
- hij gebruikt zogeheten conversatieschriftjes om te communiceren
- hij ervaart muziek deels via trillingen, bijvoorbeeld via de piano
In zijn werk zie je (aldus de experts) een ontwikkeling die vaak wordt gekoppeld aan deze periode.
Vóór: symfonieën nr. 1 en 2 - duidelijk verankerd in klassieke vormen, transparante opbouw
Na: symfonie nr. 9 en late strijkkwartetten - langere structuren, abrupte overgangen, grotere contrasten
Wat lastig blijft: is dit een gevolg van zijn doofheid, of van zijn muzikale ontwikkeling?
Musicologen wijzen erop dat zijn stijl al eerder aan het veranderen was. Tegelijk is het aannemelijk dat het wegvallen van direct gehoor invloed had op hoe hij componeerde: minder gebaseerd op wat hij hoorde, meer op wat hij zich kon voorstellen.
Dat is geen sluitend causaal verhaal, maar de werkwijze verandert wel degelijk.
2. Monet verliest zijn zicht

Monet ontwikkelt cataract, een vertroebeling van de ooglens. Dat beïnvloedt zijn zicht op meerdere manieren:
- kleuren verschuiven richting geel en rood
- blauw en violet worden moeilijker waarneembaar
- contrast neemt af
- details vervagen
Hij klaagt hier zelf uitgebreid over in brieven.
Vóór:
- Frisse, lichte kleuren (veel blauw, groen, wit)
- Duidelijke vormen en contrast
- Luchtige, zonnige sfeer



Na:
- Geel/roodbruine tinten domineren
- Minder scherpte en detail
- Meer abstracte vormen
- Zwaardere, soms “mistige” uitstraling


Wat opvalt is dat Monet zelf vaak ontevreden is over dit latere werk. Hij vernietigt schilderijen en stelt tentoonstellingen uit. Na een staaroperatie rond 1923 verandert zijn kleurgebruik opnieuw. Sommige werken ogen daarna juist koeler of contrastrijker, wat samenhangt met de correctie van zijn zicht.
Hier zie je vrij direct: verandering in waarneming = verandering in schildertechniek en kleurgebruik. Niet als keuze, maar als gevolg.
3. Henri Matisse en fysieke beperking

Vanaf de jaren 40 krijgt Matisse te maken met ernstige gezondheidsproblemen en operaties. Schilderen wordt fysiek zwaar en soms onmogelijk.
Hij zoekt een alternatief dat minder fysieke belasting vraagt.
Vóór: schilderijen zoals La Danse - geschilderde figuren, opgebouwd in lagen verf

Na: cut-outs zoals The Snail - uitgeknipte vormen in kleurig papier, direct op de compositie geplaatst

Technisch verandert er veel:
- geen penseel, maar schaar
- geen opbouw in lagen, maar direct werken met vorm en kleur
- composities worden groter en eenvoudiger leesbaar
Matisse beschrijft dit zelf als een voortzetting van schilderen met andere middelen.
De beperking leidt hier tot een andere techniek, niet tot een ander onderwerp.
4. Frida Kahlo en chronische pijn

Frida Kahlo raakt op jonge leeftijd zwaar gewond bij een busongeluk. Ze houdt langdurige fysieke klachten en ondergaat meerdere operaties.
Haar werkomstandigheden worden daardoor sterk bepaald door haar lichaam:
- ze werkt vaak liggend in bed
- spiegels worden gebruikt om zelfportretten te maken
- beweging is beperkt, waardoor haar directe omgeving klein blijft
Vóór (meer de beginperiode, toen ze nog minder last had)
- Strakkere, realistische stijl
- Minder expliciete lichamelijke pijn
- Invloed van Mexicaanse volkskunst en portrettraditie
- Symboliek aanwezig, maar nog subtiel



Na
- Directe verbeelding van pijn en operaties
- Lichaam open, gebroken, doorboord
- Sterke symboliek (bloed, dieren, religieuze elementen)
- Emotioneler, confronterender



Hier verschuift niet alleen de techniek, maar ook het onderwerp: van buitenwereld naar innerlijke ervaring.
Wat deze vier situaties laten zien is vrij concreet.
Er verdwijnt iets:
- gehoor
- zicht
- fysieke bewegingsruimte
En dat heeft directe gevolgen voor:
- techniek (hoe iets gemaakt wordt)
- waarneming (wat iemand ziet of hoort)
- onderwerp (waar het werk over gaat)
Wat ik minder terugzie dan ik verwachtte, is een automatisch “inspirerend” effect.
De veranderingen zijn vaak:
- praktisch gedreven
- soms frustrerend voor de maker zelf
- niet altijd bewust gekozen
Dat wij er later betekenis of vernieuwing in zien, is een tweede laag.
12.000 jaar oude dobbelstenen
Toen ik het bericht las op NU.nl over de mogelijk oudste dobbelstenen ter wereld, bleef ik even hangen. Niet zozeer bij het object zelf, maar bij de sprong die er meteen gemaakt werd.

Twaalfduizend jaar.
Een wereld zonder steden, zonder landbouw, zonder schrift. En toch: spelen.
“De oudste dobbelstenen komen uit Noord-Amerika en zijn ongeveer twaalfduizend jaar oud, concludeert een nieuwe studie.”
Het beeld ontstaat vanzelf. Mensen rond een vuur. Iets werpen. Spanning. Geluk. Maar toen ik verder las, begon dat beeld te schuiven.
Het zijn geen dobbelstenen zoals wij die kennen. Het zijn stenen en botten met markeringen. Objecten die volgens onderzoekers aan bepaalde criteria voldoen. Handzaam. Gemarkeerd. Geen gat.
Logisch. En dan komt toch de vraag op: zien we hier iets wat er is, of iets wat we herkennen?
We zoeken dobbelstenen → we formuleren kenmerken → we vinden objecten die binnen die kenmerken passen → en noemen ze dobbelstenen.
Dat is geen fout. Het is hoe interpretatie vaak werkt. Maar het maakt iets zichtbaar dat makkelijk verdwijnt achter een kop als deze.
De data is niet het verhaal.
Wij maken het verhaal.
En dat mechanisme komt vaker terug dan je zou denken.

De Piltdown-mens leek begin 20e eeuw perfect te passen bij het idee dat menselijke evolutie in Europa was begonnen. Het bleek later een vervalsing. Het verhaal was te passend om meteen te wantrouwen.

De “kanalen” op Mars die Giovanni Schiaparelli en later Percival Lowell meenden te zien, werden geïnterpreteerd als bewijs voor beschaving. Achteraf bleken het optische effecten en interpretaties van vage structuren.

De “Venus”-beeldjes uit de prehistorie, zoals de Venus van Willendorf. Dit zijn kleine, sterk gestileerde figuren met nadruk op borsten en heupen. Lang gezien als vruchtbaarheidssymbolen, maar dat is interpretatie. Het kunnen net zo goed zelfportretten zijn, leerobjecten, een grap, of iets ritueels dat we niet begrijpen.
Steeds hetzelfde patroon. Data die ruimte laat. Verwachting die die ruimte invult.
En toch begint wetenschap precies daar. Je moet eerst denken: misschien zijn dit dobbelstenen. Anders kijk je niet.
Het verschil zit in wat er daarna gebeurt. Blijft het een mogelijkheid, of wordt het een verhaal dat zichzelf bevestigt?
Mijn eerste enthousiasme is er nog steeds. Het idee dat mensen zo lang geleden al speelden, blijft iets openen.
Maar het voelt nu anders.
Niet als een feit.
Meer als een mogelijke scenario.