TWIL #65: Van Jezus voor Christus tot Perkament
Elke zondag deel ik mijn TWIL (This Week I Learned). Hierin schrijf ik een paar dingen op die me die week zijn opgevallen. Een detail in het landschap. Een fragment uit de geschiedenis. Iets dat me even deed stilstaan.
De man achter de mythe: wat historici wél weten over Jezus van Nazareth
Laatst luisterde ik naar de podcast Alle Geschiedenis Ooit - Grote Namen. Deze aflevering ging over Jezus. Niet over geloof, wonderen of kerken, maar over een verrassend eenvoudige vraag: Wie was de historische Jezus?
We kennen Jezus vooral als religieuze figuur, symbool, inspiratiebron of discussiepunt. Maar achter al die lagen zit ook een historische persoon. En juist daar wordt het spannend: wat kunnen historici eigenlijk met zekerheid zeggen?
De bronnen over Jezus
- Romeinse bronnen
De Romeinse geschiedschrijver Tacitus schrijft rond het jaar 116 in zijn Annales over de brand van Rome en de vervolging van christenen onder keizer Nero. Daarbij legt hij uit waar die beweging vandaan kwam: “Christus”, naar wie de christenen zijn genoemd, werd ter dood gebracht onder gouverneur Pontius Pilatus tijdens het bewind van Tiberius. Dat is belangrijk omdat Tacitus geen sympathie had voor christenen. Hij noemt hun geloof zelfs een schadelijk bijgeloof. Juist daardoor zien historici deze passage als waardevol: hij had geen reden om Jezus te verzinnen of mooier voor te stellen.

- Joodse bronnen
De Joods-Romeinse historicus Flavius Josephus (37-100 na Christus) noemt in zijn werk Joodse Oudheden een conflict waarbij Jakobus wordt geëxecuteerd. Daarbij omschrijft hij hem als “de broer van Jezus die Christus werd genoemd.” Dat klinkt klein, maar voor historici is dit precies het soort terloopse verwijzing dat interessant is. Josephus probeert hier geen christelijk punt te maken. Hij gebruikt Jezus simpelweg als herkenningspunt om uit te leggen over welke Jakobus het gaat. Dat suggereert dat Jezus toen al bekend genoeg was om als referentie te dienen.

- Vroege christelijke teksten
De brieven van Paulus van Tarsus zijn geschreven rond het jaar 50 tot 60, dus ongeveer twintig tot dertig jaar na Jezus’ dood. Dat is historisch gezien opvallend vroeg. In zijn brief aan de Galaten schrijft Paulus dat hij naar Jeruzalem reisde en daar Petrus ontmoette, evenals Jakobus, “de broer van de Heer”. Dat maakt deze teksten bijzonder: we zitten hier niet eeuwen later in legendevorming, maar nog binnen het leven van mensen die Jezus waarschijnlijk persoonlijk gekend hebben. Paulus zelf was geen volgeling vanaf het eerste uur en kwam juist later tot de beweging toe, wat zijn getuigenis extra interessant maakt. - De context klopt
Nazareth bestond. Kruisiging was een Romeinse straf. En Pilatus is archeologisch bevestigd via een inscriptie.
Alles bij elkaar ontstaat een stevig minimumbeeld: een Joodse prediker uit Galilea die volgelingen verzamelde en door de Romeinen werd gekruisigd.
En toen kwam die geboortedatum
In de podcast werd ook genoemd dat Jezus waarschijnlijk niet is geboren in het jaar 0. Wat!?
Onze jaartelling werd kennelijk pas in de zesde eeuw opgesteld door monnik Dionysius Exiguus. Hij probeerde de geboorte van Jezus als beginpunt van de geschiedenis vast te leggen, maar historici denken dat hij zich enkele jaren heeft vergist. (foutje bedankt)

Waarom?
Omdat volgens het evangelie van Matteüs Jezus werd geboren tijdens het bewind van Herodes de Grote. En Herodes stierf in 4 voor Christus. Dat betekent dat Jezus waarschijnlijk ergens tussen 6 en 4 voor Christus is geboren.
Dus ja: Jezus is vermoedelijk vóór Christus geboren. Dat is zo’n historisch detail dat bijna absurd klinkt, maar tegelijk laat zien hoe rommelig geschiedenis soms echt is.
Een boek begon als een kudde
Tegenwoordig vinden we een nieuw boek al snel prijzig. Twintig euro voor een roman voelt voor veel mensen als serieus geld. Maar in de middeleeuwen was een boek niet duur.
Het was een klein fortuin.

Niet iets dat je kocht op weg naar huis, maar iets dat hoorde bij kloosters, kathedralen, universiteiten en vorstenhuizen. Voor de meeste mensen was een boek geen bezit, maar iets dat ergens anders bestond.
Veel middeleeuwse boeken werden niet op papier geschreven, maar op perkament: zorgvuldig bewerkte dierenhuid.
Voor gewone teksten gebruikte men vaak schapenhuid. Voor luxere manuscripten kalfshuid, fijner en gladder. Dat fijnere materiaal noemen we vaak vellum.
Voor één groot boek waren meerdere dieren nodig.
Voor sommige complete bijbels mogelijk tientallen.
Dat betekent dat een bibliotheek ooit ook een soort verborgen veestapel was.
Geen schrijver, maar een productieproces
We stellen ons een middeleeuws boek soms romantisch voor: één monnik bij kaarslicht.

De werkelijkheid was georganiseerder. In scriptoria, schrijfkamers van kloosters, werkten mensen aan verschillende stappen:
- huid voorbereiden
- lijnen trekken op de pagina
- tekst kopiëren
- correcties aanbrengen
- versieringen schilderen
- boek binden
Een manuscript was dus geen enkelvoudig kunstwerk, maar samenwerking. Soms bijna een middeleeuwse uitgeverij.
De duurste kleur ter wereld
Dan de inkt en verf. Zwart kon relatief eenvoudig worden gemaakt, bijvoorbeeld uit galnoten en ijzerzouten. Maar kleur veranderde alles.
- Blauw (ultramarijn) – uit lapis lazuli uit Afghanistan
- Rood (vermiljoen/cinnaber) – uit mijngebieden in Spain, Italy en Germany
- Groen (verdigris) – lokaal gemaakt in heel Europe uit koper en azijn
- Geel (orpiment) – uit Anatolia, Armenia en het Midden-Oosten
- Paars – soms uit murexschelpen rond de Middellandse Zee
- Zwart (ijzergallusinkt) – lokaal geproduceerd uit eikengallen, ijzerzouten en galnoten

Denk daar even over na. Een steen uit Centraal-Azië, gemalen tot pigment, belandt in een manuscript in Parijs of Brugge.
Soms werd dat blauw gereserveerd voor de mantel van Maria. Niet alleen uit devotie, maar ook omdat je daarmee letterlijk rijkdom op de pagina aanbracht.
En dan was er bladgoud.
Echte goudblaadjes, dun geklopt en aangebracht op letters, randen en heiligenfiguren.
Sommige boeken glansden dus echt.
En dan zie je het Book of Kells
Toen ik dit aan het uitzoeken was, moest ik plots denken aan mijn bezoek aan Dublin. Daar zag ik jaren geleden het Book of Kells, gemaakt rond het jaar 800. Wat moet dat boek ongelooflijk kostbaar zijn geweest om te produceren.
Wat moet dat boek wel niet gekost hebben om te produceren...



Je staat ervoor en merkt direct dat dit geen gewoon boek is. Elke pagina zit vol detail, ritme, kleur en geduld. Lijnen die in elkaar draaien, letters die bijna architectuur worden, patronen waar iemand eindeloos lang aan moet hebben gewerkt.
Maar een kostbaar object waar kennis, geloof, tijd en vakmanschap samenkwamen.
Dat was hem weer! Ik ga nu genieten van de Amstel Gold Race.
Tot volgende week.