TWIL #67: Van Waterwolf tot E414
Elke zondag deel ik mijn TWIL (This Week I Learned). Hierin schrijf ik een paar dingen op die me die week zijn opgevallen. Een detail in het landschap. Een fragment uit de geschiedenis. Iets dat me even deed stilstaan.
Leeghwater en de Waterwolf
Ik was een boek aan het bekijken en zag op een oude kaart een merkwaardig stukje kanaal dat halverwege ophield. Geen verklaring, geen vervolg, gewoon een streep die nergens naartoe ging. Dat maakte me nieuwsgierig naar Nederlandse projecten die wél of níet zijn afgemaakt. En zo kwam ik het Haarlemmermeer tegen.
De Haarlemmermeer. We weten allemaal dat die is drooggelegd. Schiphol ligt er, vier meter onder de zeespiegel, op de bodem van een voormalig meer. Maar wat ik niet wist: de plannen daarvoor gaan terug tot de 17e eeuw. Het heeft ruim 200 jaar geduurd voordat er ook maar één schop de grond in ging. En dat heeft alles te maken met een eigenwijze molenmaker, twee steden die hun geld niet wilden missen, en een meer met een bijnaam die je niet snel vergeet.

De Waterwolf. Zo noemden ze het Haarlemmermeer. Stormen vraten de oevers weg, dorpen verdwenen onder water en het meer bleef maar groeien. Wat feiten:
- In 1531 was het meer al 5.600 hectare groot
- Tegen 1700 was het gegroeid naar 16.000 hectare
- Dorpen als Nieuwerkerk en Rijk verdwenen volledig onder water
In 1641 had de Hollandse molenmaker en waterbouwkundige Jan Adriaanszoon Leeghwater er genoeg van. Hij had de berekeningen gemaakt, de kaarten getekend, het boek geschreven.

Plan: droogmalen met 200 windmolens. Uitvoerbaar, betaalbaar, noodzakelijk.
Maar het ging niet door:
- Haarlem lag dwars, want de stad verdiende goed aan de scheepvaart over het meer
- Leiden wilde zijn lucratieve visrechten niet kwijt
- En het vertrouwen in de technische haalbaarheid was er niet


Leeghwater stierf in 1650 zonder dat er ook maar één molen had gedraaid.
Bijna twee eeuwen later sloeg de Waterwolf genadeloos toe. Na een zware storm in 1836 bereikte het water de poorten van Amsterdam zelf. Koning Willem I greep in.
Ditmaal niet met windmolens maar met stoomkracht:
- In 1840 begon de aanleg van een 60 kilometer lange ringvaart rondom het meer
- In 1845 draaide het eerste stoomgemaal, vernoemd naar Leeghwater
- In 1852 was het voorbij: 800 miljoen kubieke meter water weggepompt, 18.000 hectare nieuw land

Leeghwater had gewoon gelijk gehad. Hij was alleen 200 jaar te vroeg.
Een van de drie stoomgemalen, De Cruquius bij Haarlem, staat er nog steeds. UNESCO-werelderfgoed, nu een museum, met de grootste stoommachine ter wereld. En ergens onder Schiphol ligt de herinnering aan een molenmaker die het allemaal allang had uitgedacht.

Verdikkingsmiddel in Pepsi
Mijn zoontje wees naar zijn blikje Pepsi Max en vroeg: “Waarom zit hier een verdikkingsmiddel in?” Ik keek op het etiket. Inderdaad. En toen begon het onderzoek 😄
Het grappige is: Pepsi Max is helemaal niet dik. Het is suikerwater met gas. Toch zit er een verdikkingsmiddel in Pepsi Max, en dat heeft niets te maken met de vloeistof zelf. Het gaat om de smaakstofjes. Aroma’s in frisdrank zijn vetoplosbaar: ze lossen niet vanzelf op in water. Zonder hulp drijven ze naar boven, klonteren ze samen, of zakken ze naar de bodem. Arabische gom zorgt ervoor dat die kleine druppeltjes smaak netjes verdeeld blijven in de vloeistof. Het is eigenlijk een soort lijm op moleculair niveau.
Het woord “verdikkingsmiddel” is in dat opzicht een beetje misleidend. Het maakt de drank niet dikker, het houdt hem stabiel.

Arabische gom (E414) komt van de Acacia-boom, wordt al duizenden jaren gebruikt, en is een van de meest bestudeerde voedingsadditieven ter wereld. Maar het klinkt als iets uit een laboratorium, terwijl het gewoon boomsap is.
En dat bracht me bij een groter patroon: we zijn omringd door stoffen die klinken als chemie, maar van nature afkomstig zijn. Of omgekeerd: stoffen die volkomen synthetisch zijn, maar veiliger dan hun natuurlijke tegenhanger.
De naam zegt je bijna niets over wat iets werkelijk is.
Een paar E-nummers die me opvielen:
- E330 is citroenzuur. Staat op de zak chips, klinkt alarmerend, zit ook gewoon in je citroen.
- E500 is natriumbicarbonaat. Baksoda. Al eeuwen in keukens.
- E252 is kaliumnitraat. Wordt gebruikt om vleeswaren te conserveren. Komt ook voor in buskruit. De EFSA heeft in 2023 haar risicobeoordeling aangescherpt. Het wordt nog toegestaan in vlees, maar de maximale hoeveelheden staan onder druk.
- E120 is karmijn. Een knalrode kleurstof, gebruikt in yoghurt, snoep, vleeswaren, lippenstift. Gemaakt van de gedroogde en geplet schildluis, de Dactylopius coccus. Volledig natuurlijk. Duizenden tonnen per jaar.
Die laatste verdient even stilte.

Je koopt een roze yoghurt voor je kind. Op het etiket staat E120, of "karmijn", of soms gewoon "natuurlijke kleurstof". Nergens staat: insect.
De EU verplicht vermelding van de stof, niet van de herkomst. Vegans en mensen met een religieuze voedselrichtlijn vissen achter het net, tenzij ze precies weten waar ze naar zoeken.
Ik vind het zelf niet direct walgelijk, maar ik begrijp dat anderen dat anders zien. En dat raakt aan iets groters: hoe we reageren op namen.
- "Dihydrogenmonoxide" klinkt gevaarlijk. Het is water.
- "Natuurlijke rooksmaak" klinkt ambachtelijk. Het is meestal een geconcentreerd chemisch extract.
- E330 klinkt alarmerend. Het is citroenzuur. Gewoon in je citroen.
De angst voor E-nummers is feitelijk een angst voor nummers, niet voor stoffen.
Het systeem is ontworpen voor veiligheid, niet voor transparantie. Een stof krijgt een nummer nadat Europese autoriteiten haar hebben goedgekeurd: dat is goed. Maar het nummer vertelt je niet waar iets vandaan komt, hoe het gemaakt wordt, of wie er iets aan vindt.
"Goedgekeurd" en "waar je bewust voor kiest" zijn twee verschillende dingen.
Ik lees etiketten al jaren. Maar lezen is niet hetzelfde als begrijpen. En begrijpen is niet hetzelfde als een keuze kunnen maken.
Mijn zoontje stelde een simpele vraag. Het onderzoek bleek weer eens een stuk interessanter dan ik dacht.