TWIL #72: Van Waterbel 2100 tot Broekland

TWIL #72: Van Waterbel 2100 tot Broekland

Elke zondag deel ik mijn TWIL (This Week I Learned). Hierin schrijf ik een paar dingen op die me die week zijn opgevallen. Een detail in het landschap. Een fragment uit de geschiedenis. Iets dat me even deed stilstaan.


De waterbel in 2100

Afgelopen week deed ik mee aan een Ruimtelab van de Provincie Gelderland. Met acht mensen bedachten we hoe de waterbel onder de Veluwe er in 2100 nog gezond bij kan liggen.

De grote vraag die boven alles hing: hoe bescherm en versterk je iets wat je niet kunt zien?

Want die waterbel is gigantisch, 7 tot 10 keer het IJsselmeer, maar ook kwetsbaar. Hij wordt alleen gevoed door regen die op de hoge zandrug valt en langzaam de grond in zakt.

En daar zit meteen het probleem. Van al het water dat nu op de Veluwe valt, verdampt zo'n 60 procent weer voordat het de bel bereikt. Een belangrijke boosdoener zijn de bomen. Naaldbossen vangen veel regen op in hun kruinen en pompen via hun bladeren water terug de lucht in.

Bron: De Veluwnaar

Het mooie inzicht van de week voor mij was dat je de Veluwe niet als één gebied moet beschermen, maar als een samenwerking. Elk onderdeel van het systeem heeft een eigen rol en vraagt om een eigen aanpak.

Op de hoge zandrug, het hart van de aanvulling, draait alles om minder verdamping:

  • Meer open gebieden laat veel meer water doorzakken dan dicht bos
  • Minder dorstige beplanting, of slimmere varianten die in 2100 misschien beter passen
  • Het idee dat kaler hier soms beter is, hoe gek dat ook klinkt

Op de flanken richting de IJssel ligt het bijvoorbeeld precies andersom. Daar liggen de door mensen gemaakte sprengen en wil je juist schaduw en koelte, zodat het water dat al stroomt niet onnodig verdampt. Het gaat er hier om water vast te houden in plaats van het weg te laten lopen. Minder snelle afstroom, meer rust in het systeem.

Een spreng

Richting de Gelderse vallei liggen juist weer de bronbeken. Hier gelden weer andere oplossingen. Dat is het terugkerende thema: er is geen knop die overal tegelijk werkt.

Even een uitstapje, want dat verschil tussen sprengen en bronbeken is belangrijk. Het zijn allebei beken, allebei gevoed door grondwater, en toch zijn ze elkaars tegenpool.

  • Een bronbeek is door de natuur gemaakt. Die ontstaat vanzelf op plaatsen waar het grondwater van nature boven het maaiveld komt en oppervlakkig wegstroomt.
  • Een spreng is mensenwerk. De meeste zijn in de 16de of 17de eeuw met schop en kruiwagen gegraven, net zo diep tot het grondwater er vanzelf in begon te stromen, om watermolens verderop van water te voorzien.

En juist dat verschil heeft gevolgen voor vandaag. Door hun kunstmatige karakter zijn sprengen gevoeliger voor een dalende grondwaterstand dan bronbeken. Wat de mens heeft aangelegd, valt dus als eerste droog.

En dan was er een idee dat echt bleef hangen. Een paar experts spraken over het voeden van de waterbel met water uit de IJssel, juist op momenten dat er vraag is. Zie de waterbel dan niet als een vaste voorraad, maar als een oplaadbare accu. Een wateraccu die je in natte tijden bijvult en in droge tijden aanspreekt. Goed idee? Kan, maar ook daar zijn vele discussies over te voeren. Onder andere over de waterkwaliteit die je in de accu pompt, want dat bepaald ook wat er weer uitkomt.

Bron: Klimaat & Vallei

Dit alles dwingt je anders te denken.

Dit is gegarandeerd nog maar een schim van het hele verhaal, en ik zal het hooguit voor 10 procent begrepen hebben. Maar wat me vooral is bijgebleven, is met hoeveel passie mensen in Gelderland hiermee bezig zijn.

En iets hoopvols: de Veluwe heeft eigenlijk alle eigenschappen in huis om toekomstbestendig te worden, puur dankzij haar ondergrond. En er zijn veel mensen bezig om de beweging de goede kant op te sturen.

Wat ik me daarna bedacht: in 'mijn' Brabant ligt dat blijkbaar heel anders. Daar hebben we toch alleen maar zandgrond, zonder een mooie kleilaag om water op te vangen. Tijd om weer eens op onderzoek uit te gaan.


Plaatsen die het land dragen

Plaatsnamen dragen het land in zich. Dat wist ik wel, maar tijdens het Ruimtelab werd ik er weer met mijn neus op gedrukt.

Want één van de vijf watersystemen van de Veluwe heet broekland: het natte, laaggelegen gebied richting de IJssel. Dat woord kende ik uit tientallen plaatsnamen, maar de betekenis was ik kwijt.

Het woorddeel broek is Oudnederlands en betekent vochtig laagland of moeras. Verwant aan het Duitse Bruch en het Engelse brook. Een broek was dus geen kledingstuk, maar drassige grond. Daarom lijken plaatsen als Zwartebroek en Broek in Waterland nu nergens meer op een moeras: de grond is sinds de middeleeuwen drooggelegd, maar de naam bleef hangen.

De naam is een soort fossiel. Een woord dat een landschap beschrijft dat er allang niet meer is.

En als je daar oog voor hebt, zie je het overal. Veel Nederlandse plaatsnamen dragen nog de herinnering aan hun oude bodem of waterstand:

  • broek: drassig laagland, zoals in Broek op Langedijk
  • veen: afgegraven veengebied, zoals in Veenendaal
  • woerd of wierde: een opgeworpen hoogte tegen het water
  • donk: een zandkop die droog bleef in een nat gebied
  • lo: een open bos op hoge zandgrond, zoals in Hengelo
  • horst: een begroeide hoogte, zoals in Horst

Het is toch bijzonder dat je in een gewone plaatsnaam een stukje verdwenen landschap leest. Wij rijden er over een droge weg, zonder te weten dat de grond eronder ooit blubber was.

Misschien is dat de mooiste vorm van geschiedenis: niet in een museum, maar gewoon op het bordje langs de snelweg.