TWIL #73: Van Open Boslandschap tot Chique Cirkel
Elke zondag deel ik mijn TWIL (This Week I Learned). Hierin schrijf ik een paar dingen op die me die week zijn opgevallen. Een detail in het landschap. Een fragment uit de geschiedenis. Iets dat me even deed stilstaan.
Het veranderende verleden
Vorige week kwam het ter sprake, in een gesprek. De VERA-theorie: Het idee dat ons landschap vroeger geen dicht bos was, maar open. Parkachtig.
Iemand noemde het terloops, dus deze week ben ik er verder ingedoken. En hoe meer ik las, hoe vreemder ik het vond dat ik dit eigenlijk nooit goed had geweten.
Het beeld dat de meesten van ons meekregen op school is dit: Europa was ooit één groot, gesloten woud. Donker, eentonig, van kust tot kust. De spreekwoordelijke eekhoorn kon van kruin tot kruin hoppen zonder ooit de grond te raken. Pas toen de mens kwam, met akkers en vee, ontstond er afwisseling.

De mens als verfraaier van de natuur. Prettig idee, voor de mens.
In de jaren negentig zette de Nederlandse ecoloog Frans Vera daar vraagtekens bij. Hij keek naar de Oostvaardersplassen en begon te twijfelen. Want een paar dingen klopten niet.

- In de bodem vond men botten van grazers die juist open grasland nodig hebben.
- Eiken en hazelaars kwamen er al sinds het einde van de laatste ijstijd voor, en die bomen redden het niet in een donker, dichtgegroeid woud.
- Als er alleen gesloten bos was geweest, hadden die soorten dus nergens kunnen kiemen.
Zijn antwoord draaide het plaatje om.
Geen dicht woud, maar een mozaïek. Grasvelden, doornige struwelen, hier en daar een groepje bomen. En grote grazers, oerrunderen en wilde paarden, die het geheel openhielden. Niet de bomen bepaalden het landschap. De dieren deden dat.
Het mooie zit hem in de beweging: Een doornstruik beschermt een jong boompje tegen vraat. Dat boompje groeit uit, wordt een boomgroep, een bosje. Tot het oud wordt, opent, en de grazers er weer in kunnen. Dan begint het opnieuw.
Vera noemde dit de cyclische verjonging. Een landschap dat ademt, in een ritme dat trager loopt dan wij kunnen overzien. Een prachtig beeld levert dit op, toch?
Maar dan komt het deel waar we eerlijk over moeten zijn: We weten niet of het zo was.
Meerdere onderzoekers betwijfelen Vera's beeld. De bewijzen laten zich op meer dan één manier lezen:
- De één zegt: het stuifmeelbewijs (pollenonderzoek) deugt sowieso niet. De rekenmethode waarmee je er een landschap uit afleidt, gaat zelf al uit van de aanname dat er bos stond. Je vindt dan haast vanzelf weer bos. Een cirkel.
- De ander rekent juist mét dat stuifmeel en concludeert het tegenovergestelde van Vera: rond zevenduizend jaar geleden stond er tóch vooral bos, met weinig grazers.
- En los van die ruzie over de cijfers staat de praktijk. De Oostvaardersplassen, waar de theorie werd getoetst, leverden na ruim dertig jaar niet het parkachtige landschap op dat Vera voorspelde.
- Daar kun je weer tegenover stellen dat de Oostvaardersplassen geen proef is, omdat het een afgesloten gebied is met veel grazers en geen natuurlijke vijanden.
Mijn conclusie: Wat we over het verre verleden zeggen, is grotendeels reconstructie. Gissing op basis van fragmenten. We staren naar wat botten en wat stuifmeel, en bouwen daar een hele wereld omheen.
En dat is wat me het meest bezighoudt.
Niet of Vera gelijk had, maar dat we telkens opnieuw een verleden lijken uit te vinden waar we ons prettig bij voelen. Eerst de mens als verfraaier. Toen de wildernis die zichzelf openhoudt. Allebei misschien meer een spiegel dan een venster.
Wat zou het volgende beeld zijn? En waarom zou dat ons dan opnieuw zo goed bevallen?
Royal Circus, chique cirkel
Afgelopen week was ik in Edinburgh. Op een middag liet ik me neerzakken op een bankje aan Royal Circus. Een rij statige huizen, in een wijde boog om me heen. De regen erop... en toen weer zon. En toen weer regen.. En ik zat daar wat te kijken en bedacht me iets simpels. Waarom heet dit Royal Circus?
Ik verwachtte iets kleins. Een verdwenen theater onder de vleugel van het koninklijk huis, maar niets bleek minder waar. Het antwoord was groter dan de straat zelf.
Want deze hele helft van Edinburgh, de keurige, rechte helft, is geen stad die langzaam is gegroeid. Hij is bedacht. In één keer.

Halverwege de achttiende eeuw werd de oude stad op zijn rots te vol en te smerig. Mensen leefden er opeengepakt, laag op laag. Dus besloot men ten noorden ervan iets volledig nieuws neer te zetten. Een New Town. Een raster van rechte straten, ruime pleinen, lucht.
Een jonge architect, James Craig, won er rond 1766 de prijsvraag voor. Hij was tweeëntwintig.

En toen ik begon te lezen, viel me op dat de straatnamen geen toeval waren. Ze waren een boodschap. Schotland en Engeland waren toen net zestig jaar verenigd. Vers nog, en wat ongemakkelijk. De nieuwe wijk werd één groot eerbetoon aan de koning en aan die unie:
- George Street, de hoofdstraat, naar koning George III.
- Queen Street en Charlotte Square, naar zijn vrouw, koningin Charlotte.
- Hanover Street, naar het koningshuis waar George uit kwam, en Frederick Street naar zijn vader.
- Rose Street en Thistle Street, de roos en de distel, de nationale bloemen van Engeland en Schotland. Letterlijk de twee landen naast elkaar gelegd.
Er zit zelfs een kleine ruzie in verstopt. De hoofdstraat zou eindigen in een St Giles Street, naar de beschermheilige van de stad. Maar de koning wilde dat niet. St Giles was ook de naam van een berucht Londens sloppenwijkje. Dus werd het Princes Street, naar zijn zonen.
Een straatnaam, afgekeurd door de koning zelf.

En toen kwam ik terug bij mijn bankje. Bij dat woord, Circus. Want ook dat bleek geen verfraaiing. Het is een vorm. Net als de andere woorden die ik overal tegenkwam:
- Een crescent is een rij huizen in een halve maan. Het woord komt van het Latijn voor groeien, hetzelfde als voor de wassende maan. Vandaar de boog.
- Een circus heeft niets met clowns te maken. Het is gewoon Latijn voor cirkel. De huizen staan in een ronde om een plein heen. Dat was precies wat ik vanaf mijn bankje zag.
- Een terrace is een lange, aaneengesloten rij identieke huizen. Eén doorlopend gevelfront dat toevallig veel voordeuren heeft.
Hoor je "crescent", dan weet je: dit buigt. "Circus", dit draait rond. "Terrace", dit loopt recht en lang door. De naam is half adres, half bouwtekening.
Dat was typisch voor de tijd. De architecten dachten niet in losse huizen, maar in hele composities. Een circus was bedoeld als één geheel, een soort paleisgevel die je in stukken had geknipt en aan gewone gezinnen verhuurde. Eén deftig front. Daarachter, twintig aparte woningen.
In "Royal Circus" stond dus alles tegelijk. Het "Royal" was de boodschap, de buurt die zich chic en koningsgezind wilde tonen. Het "Circus" was de vorm, de ronde waar ik middenin zat.
En dat is wat ik leerde, daar op dat bankje.