TWIL #78: Van Doggerland tot Geurwoorden
Elke zondag deel ik mijn TWIL (This Week I Learned). Hierin schrijf ik een paar dingen op die me die week zijn opgevallen. Een detail in het landschap. Een fragment uit de geschiedenis. Iets dat me even deed stilstaan.
Doggerland: waar de Theems en Rijn samenvloeiden
Het is best bizar, als je erover nadenkt. Hoeveel informatie er in de wereld is, en hoe weinig daarvan ooit bij ons terechtkomt. Zeker over ons eigen land.
We kennen onze zeehelden uit school. We weten van het rampjaar 1672, van Michiel de Ruyter, van de Gouden Eeuw. Maar dat Nederland ooit fysiek verbonden was met Engeland, dat de Rijn en de Theems hier samenvloeiden in één rivier, dat dit de basis vormde van wat je een van de rijkste jachtgebieden van heel Europa zou kunnen noemen? Daar hoorde ik nooit iets over.

Ik kende de Doggersbank wel, als visgebied ergens in de Noordzee. Ik had geen idee dat het ooit deel uitmaakte van iets veel groters, een compleet land dat we nu Doggerland noemen.
Dat ontdekte ik via een artikel over de steentijd. Ik was aan het scrollen (waarom, vraag het me niet) toen ik een kaartje tegenkwam van Doggerland. Wat!? Oké, daar gaan we weer...

Een compleet land onder de golven
Zo'n twintigduizend jaar geleden, op het hoogtepunt van de laatste ijstijd, lag er zoveel water vast in het ijs dat de zeespiegel meer dan honderd meter lager stond dan nu. Waar nu containerschepen varen tussen Engeland en Nederland, lag toen gewoon land. Geen kale vlakte trouwens, maar een rijk landschap met rivieren, moerassen en bossen. Berkenbossen maakten geleidelijk plaats voor eik, iep en hazelaar, in een afwisseling van open grasvlaktes en dicht struikgewas.
Doggerland verbond Groot-Brittannië rechtstreeks met het vasteland van Europa.
Voor de jager-verzamelaars die er woonden moet het een soort paradijs zijn geweest. Ze trokken seizoensgebonden rond tussen kust, rivierdalen en hoger gelegen gronden. Edelherten, wilde zwijnen, oerossen, in koudere periodes zelfs nog mammoeten. De rivieren en moerassen zaten vol vis en watervogels, en zelfs walrussen vonden er een plek.
Vermoedelijk was dit een van de aantrekkelijkste plekken om te leven in heel Europa op dat moment.


Impressies van hoe het toon was (bron: https://www.wessexarch.co.uk/news/world-environment-day-discovering-doggerland)
Centraal in dit landschap lag de Doggersbank, tegenwoordig een ondiepe zandbank en nog altijd een gewild visgebied. Ooit was dit het hoogste punt van heel Doggerland. Toen de zeespiegel bleef stijgen en de rest van het land langzaam verdronk, hield dit plateau het langst stand, een tijdlang zelfs als geïsoleerd eiland omringd door zee.
En toen verdween ook dat.
Een golf uit het noorden
Rond 6200 v.Chr. stortte voor de kust van Noorwegen een enorme onderzeese landmassa in, bekend als de Storegga-aardverschuiving. De tsunami die daardoor ontstond raasde over de laaggelegen kusten van Doggerland en moet voor de mensen die daar op dat moment leefden een verwoestende gebeurtenis zijn geweest.

Gecombineerd met de al langzaam stijgende zeespiegel betekende dit het begin van het einde. Rond 5000 v.Chr. verdween ook de Doggersbank, het laatste restje land, definitief onder water.

Wat me het meest verbaast is hoe precies we dit allemaal kunnen reconstrueren, tot op het niveau van individuele rivieren en een jaartal als 6200 v.Chr. Dat blijkt te danken aan een handvol technieken die eigenlijk voor iets heel anders zijn ontwikkeld:
- Seismische scans, oorspronkelijk gemaakt door olie- en gasbedrijven op zoek naar fossiele brandstoffen. Die geluidsgolven tasten de zeebodem af en onthullen daarbij ook oude, begraven rivierdalen en heuvelruggen, als een soort röntgenfoto van een verdwenen landschap.
- DNA uit sedimentkernen, opgeboord van de zeebodem door het project Europe's Lost Frontiers. Zonder een enkel fossiel bot te vinden konden onderzoekers zo bepalen welke planten en dieren op een bepaalde plek en in een bepaalde periode leefden.
- Zandlagen langs de Schotse kust, dik en onregelmatig, die duidelijk niet door normale getijden konden zijn afgezet. Koolstof-14-datering van organisch materiaal in die lagen pinde de tsunami vrij nauwkeurig vast op 6200 v.Chr.
We lopen op een aarde die al veel vaker van vorm veranderde dan we ons realiseren, en niet over miljoenen jaren, maar binnen een tijdsbestek dat mensen zelf hebben meegemaakt en overleefd. Er liepen mensen rond op grond die nu gewoon zee is, tot op een ochtend een golf uit het noorden alles veranderde. En ergens onder die golven ligt nog steeds het gewei van een hert te wachten op een net dat toevallig de goede kant op sleept.
Tot slot: ik kwam net nog deze interessante publicatie over Doggerland tegen, van het Rijksmuseum van Oudheden. Nog niet gelezen, maar ziet er zeer interessant uit. En hij is gratis te downloaden!

Waarom wij nauwelijks woorden hebben voor geur
Ik kwam tijdens het browsen taalpsycholoog Asifa Majid tegen, die al jaren onderzoekt hoe mensen over geur praten. Ze deed een observatie die ik meteen herkende: vraag iemand een geur te beschrijven, en het antwoord is bijna altijd "het ruikt als..." gevolgd door een ander ding.

Majid, verbonden aan Oxford en het Max Planck Instituut, vroeg zich af of dat een universeel menselijk gebrek is, of gewoon een eigenaardigheid van talen als Engels en Nederlands. Voor kleur, geluid en smaak hebben we prima woordenschat. Voor geur blijkbaar niet, en dat wilde ze uitzoeken.

Om dat te testen trok ze naar de Jahai, jagers-verzamelaars in het regenwoud op het Maleisische schiereiland. Die bleken ruim een dozijn eigen geurwoorden te hebben die in niets lijken op onze manier van benoemen.
- cŋɛs: een stekende geur, van benzine en rook tot vleermuizenpoep en wilde gemberwortel.
- plʔeŋ: een bloederige, visachtige, vlezige geur.
- ltpɨt: een zoete, bloemige geur, van rijp fruit tot zeep tot een bepaald soort civetkat.
Geen van die woorden verwijst naar één specifiek ding. Ze beschrijven een kwaliteit op zich, precies zoals "geel" niets zegt over bananen maar over een kleurervaring.
Niet ver daarvandaan vond ze bij de Maniq, jagers-verzamelaars in Zuid-Thailand, nog rijkere taal: minstens vijftien abstracte geurwoorden, die meteen ook aangeven of iets gevaarlijk is of veilig.
- hamis: de gevaarlijke geur van de gele zon op een hete dag, gebruikt voor de brandende lucht en rook die daarbij hoort.
- kameh: de geur van miljoenpoten en gif, waarschijnlijk verwant aan een Maleis woord voor "vies."
- caŋus: een waarschuwingsgeur. Er is een vrucht die zo ruikt, en die is giftig voor de Maniq zelf. Maar aapjes eten hem juist wel. Het venijnige is: als de Maniq zo'n aap vangen en eten vlak nadat die de vrucht heeft gegeten, worden ze ziek. Dat aapje ruikt dan ook caŋus, als een soort ingebouwde waarschuwing van de natuur zelf.
- lspɨs: een geurige, aangename kwaliteit, van wilde yamswortel tot geneeskrachtige planten tot bepaalde bomen. Maar zelfs deze fijne geur kent een taboe: er is een regel die zegt dat je lspɨs-geuren niet zomaar mag mengen, anders roep je ongeluk over jezelf af.
Een geur is in hun taal dus letterlijk ook een waarschuwing.
Toeval is dat niet. Beide volkeren leven in tropisch regenwoud, waar weten of iets giftig of eetbaar ruikt het verschil kan maken tussen een maaltijd en een vergiftiging. Majid stelt dat wij geur juist hebben gedegradeerd: fruit en bloemen worden tegenwoordig gekweekt op uiterlijk, niet op geur. In sommige westerse kringen is het zelfs een beetje ongepast om te uitgebreid over vieze luchtjes te praten, terwijl dat bij de Jahai heel gewoon dagelijkse kost is, ook onder kinderen.
En het houdt niet op bij die twee volkeren. Verwante talen als Semai, Temiar en het verder afgelegen Khmu in Laos vertonen hetzelfde patroon: een sterke band met het regenwoud, gekoppeld aan een rijke geurwoordenschat.
We denken al snel dat onze zintuigen een vast, biologisch gegeven zijn, hetzelfde voor iedereen. Maar een zintuig zonder de juiste woorden lijkt gewoon een beetje weg te kwijnen, terwijl het bij wie er dagelijks op moet vertrouwen uitgroeit tot iets bijna net zo scherp als kleuren zien.