TWIL #85: Van bunkerstad naar buurtplein

Een geschiedenis van stedenbouw als wantrouwen: hoe Oscar Newmans Defensible Space (1972) na de opgeblazen wijk Pruitt-Igoe decennialang bepaalde hoe we buurten ontwierpen, gericht op afsluiten. En hoe Jane Jacobs, die elf jaar eerder al gelijk had, uiteindelijk toch won.
TWIL #85: Van bunkerstad naar buurtplein

Hoe wantrouwen ooit stedenbouw werd

We zien het overal om ons heen: bankjes met een gekke extra leuning in het midden, pinnen op vensterbanken, verlichting die geen hoekje ongezien laat. Je stapt eroverheen zonder het te zien, tot je een keer beter kijkt.

Ik ging uitzoeken waar dat soort ontwerp vandaan komt, en kwam uit bij een architect die in 1972 een boek schreef dat decennialang bepaald heeft hoe we steden en wijken bouwen. Niet alleen bankjes, ook complete buurten.

Een stad die zichzelf opblies

Amerika, jaren zestig en zeventig. Steden bouwden op grote schaal sociale woningbouw: hoge torenflats, geïnspireerd op modernistische idealen van architecten als Le Corbusier. Licht, lucht, ruimte, op papier een utopie.

In de praktijk liep het anders. Veel complexen verpauperden razendsnel: vandalisme, verwaarlozing, criminaliteit. Het bekendste voorbeeld is Pruitt-Igoe in St. Louis, een enorm woonproject dat in 1972 zo onleefbaar was geworden dat delen ervan werden opgeblazen (lees vooral dit stuk op Wikipedia eens). Letterlijk met dynamiet.

Pruitt-Igoe (bron: The Guardian)

Dat beeld, een falende utopie die zichzelf opblaast, werd een soort collectief trauma in de stedenbouw.

De diagnose: het is het ontwerp

Oscar Newman

In datzelfde jaar 1972 publiceerde architect Oscar Newman zijn boek Defensible Space: Crime Prevention Through Urban Design. Zijn stelling was scherp voor die tijd: het is niet alleen de armoede van bewoners die criminaliteit veroorzaakt, het is het ontwerp zelf.

Newman vergeleek complexen met vergelijkbare bewonersgroepen maar verschillende plattegronden, en zag grote verschillen in veiligheid. Zijn conclusie: goed ontwerp kan criminaliteit voorkomen. Daaruit destilleerde hij vier principes:

  • Territorialiteit: maak duidelijk wie waar verantwoordelijk voor is. Een voortuintje of hekje zorgt dat bewoners zich eigenaar voelen van hun omgeving.
  • Natuurlijk toezicht: zorg dat mensen elkaar kunnen zien, met ramen op straat, verlichting, geen verborgen hoekjes.
  • Imago: een goed onderhouden omgeving nodigt minder uit tot vandalisme dan een verwaarloosde.
  • Ligging: de positie van een gebouw ten opzichte van een veiligere, drukkere omgeving.

Het klinkt logisch, en het werkte, althans op papier. Genoeg om wereldwijd beleid te beïnvloeden. In Nederland zie je de sporen terug in het Politiekeurmerk Veilig Wonen, wereldwijd in het vakgebied CPTED: Crime Prevention Through Environmental Design.

Waarom precies toen

Newmans theorie kwam niet uit de lucht vallen. Een aantal zaken kwam samen, en de cijfers uit die jaren maken duidelijk waarom het zo'n vruchtbare bodem was:

  • Criminaliteit: het aantal geregistreerde misdrijven per 100.000 inwoners steeg tussen 1960 en 1968 met 122 procent. Alleen al tot 1967 rapporteerde de FBI een stijging van ernstige misdrijven met 89 procent, met een toename van geweldsmisdrijven van 73 procent.
  • Suburbanisatie: waar centrale steden in 1950 nog 36 procent van de Amerikaanse bevolking huisvestten, was dat in 1980 gezakt naar 29 procent. De voorsteden groeiden in diezelfde periode van 27 naar 43 procent van de bevolking.
  • Versnelling in de jaren zeventig: dit was niet een lokaal fenomeen. New York, Boston, Chicago, Minneapolis en Atlanta verloren in dat decennium elk meer dan 10 procent van hun inwoners.

Voor beleidsmakers en bewoners voelde dat niet als een grafiek, maar als een stad die letterlijk leegliep terwijl de misdaad toenam.

Tegelijk was er een politiek klimaat van law and order, waarin Newmans theorie iets bood dat technocratisch en neutraal aanvoelde: verander het ontwerp, in plaats van de veel gevoeligere gesprekken over ras en ongelijkheid te voeren.

Het was de gewenste boodschap op het juiste, wanhopige moment, onderbouwd door cijfers die niemand kon negeren.

De schaduwkant

Wat begon als een oplossing voor onveiligheid, kreeg gaandeweg een keerzijde. Want als je ontwerpt om buiten te sluiten wie er niet hoort, moet iemand bepalen wie dat is.

Hekken, poortjes en gated communities schoten overal de grond uit, niet alleen ter bescherming maar ook ter afscherming van de ander. Publieke ruimte fragmenteerde: privé eilandjes in plaats van gedeelde plekken. Dakloze mensen en jongeren werden letterlijk weg-ontworpen, denk aan anti-slaap-bankjes en pinnen op vensterbanken.

De filosofie was defensief geworden in de meest letterlijke zin: bouwen als verdediging in plaats van als uitnodiging.

De omslag

Vanaf de jaren tachtig, in een stroomversnelling sinds de jaren tweeduizend, zwaaide het pendel terug. Placemaking ging ervan uit dat een druk gebruikte plek vanzelf veiliger wordt. Niet weren, maar activeren.

Daarnaast ontstonden onder meer:

  • New Urbanism: stroming uit de VS (jaren '80-'90) die pleit voor traditionele, wandelbare buurten met gemengd gebruik, korte afstanden en herkenbare straten, als reactie op autogerichte suburbane sprawl.
  • Tactical urbanism: laagdrempelige, tijdelijke en goedkope ingrepen in de openbare ruimte (pop-up fietspaden, plantenbakken, tijdelijke pleinen) om snel te testen wat werkt voordat er permanent geïnvesteerd wordt.
  • 15-minutenstad: concept waarbij alle dagelijkse behoeften (werk, winkels, zorg, onderwijs, ontspanning) binnen 15 minuten lopen of fietsen bereikbaar zijn.
  • Superblocks (superilles) in Barcelona: stadsdelen van meerdere straatblokken waarbinnen doorgaand autoverkeer geweerd wordt, zodat de binnenstraten worden teruggegeven aan voetgangers, fietsers en groen, terwijl verkeer om het blok heen wordt geleid.

Newman had één ding goed: ontwerp bepaalt gedrag. Hij trok alleen de verkeerde conclusie over hoe. Wat de juiste conclusie is, weten we misschien pas over decennia. Maar één ding staat vast: een stad die mensen buitensluit, is nooit de oplossing. Verbinding en inclusie wel. De rest is een kwestie van tijd.

Eyes on the street: voor Newman, ondanks Newman, na Newman

Jane Jacobs

In 1961, elf jaar vóór Newmans Defensible Space, schreef Jane Jacobs The Death and Life of Great American Cities. Haar aanval was gericht op precies dezelfde modernistische kaalslag: brede lanen, gescheiden functies, torenflats zonder leven op straat.

Haar these: veiligheid ontstaat niet door mensen te scheiden, maar door ze samen te brengen. Daaruit komt haar bekendste concept: eyes on the street. Een straat is veilig als er continu, de hele dag door, toevallig mensen op letten.

Bron: https://www.kaarwan.com/blog/architecture/eyes-on-the-street-jane-jacobs-theory-and-its-relevance-in-indian-architecture?id=1789

Niet bewakers, maar winkeliers die hun etalage in de gaten houden, buren die uit het raam kijken, ouders op een bankje, voorbijgangers onderweg naar de tram. Die blikken zijn ongeorganiseerd en vrijwillig, maar juist daardoor overal en altijd aanwezig. Voorwaarde is wel dat een straat iets te bieden heeft om voor te blijven: winkels, cafés, bankjes, functies die mensen op straat houden in plaats van erdoorheen jagen.

Toch won zij niet meteen. Newman kwam met cijfers en een tijdgeest van angst, Jacobs met observaties en gezond verstand. Pas decennia later, via William H. Whyte en de placemaking-beweging, kreeg haar idee alsnog het laatste woord:

  • Levendige, gemengde straten voorkomen criminaliteit beter dan hekken.
  • Toezicht werkt het best als het toevallig is, niet gecontroleerd.
  • Een stad leeft door drukte, niet door afscherming.

Jacobs had gelijk. Ze moest alleen wachten tot de bunker instortte.