TWIL #88: Van Londen's stank tot Great Eastern

Een overstort in de Theems, een stinkende zomer en een schip dat te groot was voor zijn tijd. Twee victoriaanse verhalen uit Londen.
TWIL #88: Van Londen's stank tot Great Eastern

Elke zondag deel ik mijn TWIL (This Week I Learned). Hierin schrijf ik een paar dingen op die me die week zijn opgevallen. Een detail in het landschap. Een fragment uit de geschiedenis. Iets dat me even deed stilstaan.


De stank die Londen redde

Na onze trip naar de Cotswolds hebben we nog twee dagen Londen gedaan. Tijdens een boottocht op de Theems vielen me grote kleppen op in de kademuur. Zware ijzeren luiken, vlak boven het water.

Het bleken overstorten te zijn. En daarachter ontdekte ik een van de smerigste en mooiste verhalen van de stad.

Een rivier die al lang ziek was

Het idee dat een schone rivier belangrijk is, is eigenlijk vrij nieuw. Eeuwenlang was de Theems gewoon de plek waar alles heen ging.

Leerlooierijen, slachterijen, zeepmakers en brouwerijen loosden er hun afval. Kadavers van honden en paarden dreven er rond. En tegelijk haalden waterbedrijven er drinkwater uit, soms een paar meter van een afvoer vandaan.

Hygiëne zoals wij die kennen, bestond nauwelijks. Veel huizen hadden alleen een paar uur per dag water, via een gedeelde pomp op straat. Je waste je zelden, en afval gooide je vaak gewoon op straat of in de goot.

Dat vond niemand vreemd. Zo was de stad nu eenmaal.

- Spotprent - William Heath, Monster Soup commonly called Thames Water (1828). Een vrouw laat haar theekopje vallen nadat ze door een microscoop een druppel Thameswater bekijkt, vol monsterlijke beestjes. Het is een reactie op het feit dat Londenaren hun drinkwater rechtstreeks uit de vervuilde rivier kregen.

De nightsoil men

Onder veel huizen zat een beerput. Die werd 's nachts geleegd door de nightsoil men, die met emmers en karren door de stad trokken. Het was smerig werk, maar het leverde geld op: de inhoud werd als mest verkocht aan boeren rond de stad.

Toen er vanaf de jaren 1840 goedkope guano uit Zuid-Amerika kwam, zakte die markt in. Beerputten werden minder vaak geleegd en liepen over. Soms sijpelde de inhoud gewoon door naar de kelder van de buren.

Daarna kwam het doorspoeltoilet. Klinkt als vooruitgang, maar al dat extra water liet de beerputten nog sneller vollopen. Dus besloot de stad in 1848 alles aan te sluiten op het riool.

En dat riool kwam uit in de Theems.

Night soil men bestonden zelfs nog rond 1950.

De Fleet, een verdwenen rivier

Een van de bekendste afvoeren was de Fleet. En dat is een bijzondere rivier, want je kunt hem niet meer zien.

De loop van de Fleet. (bron: wikipedia)

De Fleet ontspringt op Hampstead Heath en stroomde ooit door het hart van Londen naar de Theems. In de Romeinse tijd en de middeleeuwen was het een echte rivier, breed genoeg voor schepen. Fleet Street, de oude straat van de Britse kranten, is naar hem vernoemd.

Maar hoe groter de stad werd, hoe meer de Fleet een vuilnisbelt werd. Slagers van de vleesmarkt Smithfield gooiden er hun slachtafval in. Schrijver Jonathan Swift beschreef al in 1710 hoe er na een regenbui ingewanden, dode katten en keukenafval in meedreven.

In de achttiende eeuw had de stad er genoeg van en werd de Fleet stukje bij beetje overkapt. Sindsdien stroomt hij ondergronds, als onderdeel van het riool. Bij een rooster in Ray Street, in Clerkenwell, kun je hem naar verluidt nog horen stromen.

Een rivier die ooit een stad voedde, verdwenen onder de straten.

De man die een pomp stillegde

Ondertussen eiste cholera tienduizenden levens. Bijna iedereen geloofde dat de ziekte zich via stinkende lucht verspreidde.

Arts John Snow dacht daar anders over. In 1854 bracht hij de doden in Soho in kaart en zag dat ze rond één waterpomp in Broad Street lagen. Hij liet de hendel eraf halen. De uitbraak ebde weg, maar de heersende opvatting veranderde nauwelijks. (hier schreef ik in TWIL #48 ook al over)

Een jaar later liet natuurkundige Michael Faraday witte kaartjes in de Theems zakken. Ze verdwenen al na een paar centimeter uit het zicht. Hij schreef er een boze brief over aan The Times.

De zomer van 1858

Toen werd het extreem heet. De rivier begon zo erg te stinken dat het The Great Stink ging heten. Het parlement, pal aan het water, hing gordijnen op gedrenkt in chloorkalk. Disraeli beschreef de Theems als een helse poel vol onbeschrijfelijke gruwelen.

Binnen zo'n drie weken was er een wet en geld. Niets werkt zo goed als politici die zelf moeten kokhalzen.

Bazalgette bouwt voor de toekomst

Ingenieur Joseph Bazalgette mocht aan de slag. Wat hij neerzette:

  • ongeveer 1.800 kilometer straatriolen
  • 132 kilometer grote verzamelriolen die het afval stroomafwaarts brachten
  • ruim 300 miljoen bakstenen
  • pompstations als Crossness en Abbey Mills, zo rijk versierd dat ze kathedralen van het riool heten

Hij berekende hoe groot de buizen moesten zijn en maakte ze daarna twee keer zo groot. Die gok redde Londen ruim een eeuw lang. Zijn riolen liggen onder de kades waar wij dus wandelden en vanaf de boot voer ik dus langs zijn werk.

Crossness pompstation - typisch Victoriaans ontwerp. Alles is uitgesproken. (bron: Secret Londen)

Terug naar de kleppen

Bazalgette bouwde een gemengd systeem: regenwater en afvalwater door dezelfde buizen. Bij hevige regen loopt het vol, en dan gaan de overstorten open. Jaarlijks belandden zo tientallen miljoenen tonnen rioolwater alsnog in de rivier.

Sinds kort vangt de Thames Tideway Tunnel, een superriool van 25 kilometer diep onder de Theems, het grootste deel daarvan op. Het vervolg op Bazalgette, anderhalve eeuw later.

Wat me misschien nog het meest verbaast, is dat ik deze prachtige geschiedenis heb ontdekt dankzij een paar ijzeren kleppen in een kademuur, gezien vanaf een boot. Zo zie je maar weer: blijf nieuwsgierig!


Het schip dat te groot was voor zijn tijd

Building the 'Great Leviathan' (the 'Great Eastern') by William Parrott

Op onze laatste dag gingen we naar het National Maritime Museum in Greenwich. Eén schilderij greep me: daarop een gigantisch schip met de naam Leviathan.

Het bleek de Great Eastern te zijn, gebouwd aan de overkant van de Theems, bijna in het zicht van het museum.

Een reus van Brunel

Ingenieur Isambard Kingdom Brunel wilde een schip dat zonder bij te tanken naar Australië kon varen. Dus bouwde hij het zes keer zo groot als alles wat er toen voer: ruim 200 meter lang, met plek voor 4.000 passagiers.

Het was zo groot dat het zijwaarts te water moest. Dat mislukte eerst en lukte pas na maanden, in 1858. Een jaar later overleed Brunel.

Hij heeft zijn schip nooit echt zien varen.

Brunel voor de lanceerkettingen van de Great Eastern

De Great Eastern past perfect in zijn tijd. De Victorianen dachten niet in kleine stappen, maar in grote gebaren. Wat ze bouwden moest werken, maar het moest vooral ook gezien worden. Techniek was geen bijzaak. Het was een manier om te laten zien wat een land kon.

Mislukt, en toch van belang

Als passagiersschip was de Great Eastern een flop. Er waren nooit genoeg reizigers voor zo'n reus, maar in 1866 legde het schip de eerste blijvende telegraafkabel door de Atlantische Oceaan. Ineens konden Europa en Amerika binnen minuten berichten uitwisselen, in plaats van weken.

Brunel bouwde een schip om indruk te maken, en verbond daarmee twee continenten. Soms levert groots denken iets op wat je nooit had bedacht.